Schrijver

Als Germanist en taalopleider heb ik jarenlang met taal gewerkt. Taal is mijn vak, mijn stiel, mijn beroep. Ik ben opgeleid als taalkundige en daarmee kan ik mijn brood verdienen.

Naast taal zijn filosofie en geschiedenis mijn grote liefdes. Als taal mijn echtgenote is, dan zijn filosofie en geschiedenis mijn maîtresses. Bij nader inzien is dat altijd zo geweest. Alleen heb ik dat met ouder worden duidelijker leren zien.

Filosofie – Nietzsche en Feuchtersleben

Als prille twintiger schreef ik een boek over Nietzsche. Op literair vlak een jeugdzonde maar een activiteit die mij bijzonder veel plezier bezorgde. Ik zou die ervaring nooit vergeten.

In mijn dertiger jaren vertaalde ik in de luwte van mijn werk als taalopleider en muzikant een vergeten filosofische parel uit het Duits: Zur Diätetik der Seele van de Weense arts Ernst Freiherr von Feuchtersleben.

Dit 18e-eeuwse werk is een verrassend tijdloos pleidooi voor geestelijke veerkracht en innerlijke harmonie — een zelfzorggids avant la lettre, honderd jaar vóór Freud en twee eeuwen vóór de hedendaagse zelfhulpindustrie.

Feuchtersleben toont hoe onze geest en ziel niet alleen ziektes kunnen veroorzaken, maar tegelijk een bron van genezing en vitaliteit kunnen zijn. Zijn observaties — zoals de dame die bedlegerig was maar moeiteloos urenlang kon walsen met haar lievelingsdanser, of de psychiatrische instelling die immuun leek voor een griepepidemie — zijn even poëtisch als prikkelend.

Deze vertaling was voor mij meer dan een project: het was een ontmoeting met een denker die geloofde in de kracht van authenticiteit, in het belang van leven volgens onze aard. Een ode aan de mens die groeit van binnenuit, zonder zichzelf geweld aan te doen.

“De geest is aan de materie gebonden maar de materie even goed aan de geest.”

(Feuchtersleben)

Geschiedenis – Marinus

Daarna was het tijd voor mijn andere grote liefde: geschiedenis en nog het liefst die van mijn geboortestad Oostende. Toen mijn grootouders overleden waren en we hun huis leegmaakten vond ik daar een boek van ene Jan Van Dorp Le flamand des vagues.

Ik begon erin te lezen en tot mijn verbazing las ik het onwaarschijnlijke levensverhaal van Marinus De Boer, die opgroeit in het 17e-eeuwse Oostende. Nadat hij op elfjarige leeftijd zijn vader ziet omkomen in een vreselijke zeeslag gaat hij bij twee kapers wonen. Die leren hem de stiel en zien toe hoe Marinus ontbolstert tot een beruchte kaperskapitein. Tot de tijd ook hem inhaalt en Marinus vanop de Oostendse kade zijn drie zonen naar Indië ziet vertrekken onder de vlag van de Oostendse Compagnie.

Marinus De Boer mag dan wel een fictief personage zijn, de verhaalwereld van Marinus is dat allerminst. Jan Van Dorp heeft zich voor zijn roman uit 1948 uitgebreid gebaseerd op historische feiten.

Na mijn lectuur had ik al het vaste voornemen om dit boek te vertalen en opnieuw onder de aandacht te brengen. Ik heb ook meteen naar die andere Oostendenaar Sebastien Dewaele gebeld en samen hebben we van deze maritieme klassieker tot een fel gesmaakte theatervoorstelling bewerkt.

“Het beste dat de geschiedenis ons nalaat, is het enthousiasme dat zij veroorzaakt.”

(Goethe)

En nu?

Schrijven is mijn lang leven — een contemplatieve tegenpool voor mijn actieve bestaan als opleider en muzikant. Het biedt ruimte voor reflectie, verdieping en verbeelding.

Sinds twee jaar werk ik aan een boek over de heiligen van de Lage Landen. Een project waarin geschiedenis en spiritualiteit elkaar kruisen en dat tegelijk de grenzen van het religieuze opentrekt. Waarom heeft Sint-Kristoffel in de oudste afbeeldingen een hondenkop? En draagt Sint-Dionysius zijn eigen hoofd? Wat heeft Sint-Antonius met lsd te maken? En Sint-Vitus met raves? Dit boek wordt een zoektocht naar het mystieke in het alledaagse, het fantastische in het nabije, verhalen voor gelovigen én ongelovigen.

Verwacht geen klassieke heiligenlevens, maar een eigentijdse blik op Vlaamse voodoo, bezielde rituelen en vergeten verhalen — geworteld in onze streken, maar met vertakkingen naar de rest van de wereld en alle tijden.

“Schrijven is een vorm van therapie; soms vraag ik me af hoe al diegenen die niet schrijven, componeren of schilderen, kunnen ontsnappen aan de waanzin, de melancholie en de angst die onlosmakelijk met het menselijk bestaan verbonden zijn.”

(Graham Greene)